 |
Sinds enige tijd had ze thuishulp, lang had ze zich er tegen verzet maar
onder druk van haar kinderen had ze zich tenslotte toch maar ‘overgegeven'.
Gelukkig had ze gister een goede dag en had ze alles opgeruimd en
doorgewerkt. Hoefde de hulp niets te doen. Konden ze koffie drinken en wat
kletsen, verhalen had ze genoeg en dan bleef de hulp lekker in de huiskamer,
ver van haar spulletjes. Hoe aardig en lief de hulp ook was het idee dat een
vreemde in alle kastjes zit en aan al je vertrouwde spullen komt vond ze
niet prettig. Nee, uitgebreid koffie drinken en dan kon ze misschien konden
ze daarna nog wat boodschappen halen. Het beloofde mooie weer te worden en
een wandeling door de winkelstraat vond ze altijd erg gezellig. Als ze
daarna thuiskwamen was de tijd vast op. |
|
|
|
|
Het zaaltje
zat vol met nazaten. Kinderen kleinkinderen achterkleinkinderen en aanhang. Er
hingen slingers en ballonen want het was feest Geertje was honderd jaar
geworden. Zelf vond ze het wonderbaarlijk. Ergens in haar zat nog dat meisje van
vijf dat met haar mooiste jurkje zondags naar de kerk ging en ook die jonge
vrouw die stralend verliefd was op de man waar ze dertig jaar mee getrouwd zou
zijn. De moeder die het gezin met 7 kinderen bij elkaar hield. Ze wist alles
nog. De vreugde en het verdriet om de dood van twee van haar kinderen. De een
nog maar 6 jaar oud de ander vorig jaar op 65 jarige leeftijd. Het zat allemaal
in haar honderdjarige hoofd. Haar leven was vol en rijk geweest en had voor haar
gevoel nu wel lang genoeg geduurd. Het feest om haar hoge leeftijd begreep ze
niet zo goed. Ze was zoveel mensen tot last, haar kinderen die steeds maar weer
langs moesten komen waren zelf inmiddels ook al oud en haar kleinkinderen die
hun eigen leven en gezin hadden. Ze kwamen allemaal regelmatig op bezoek. Ze had
nu ook al vijfentwintig jaar thuiszorg. Ook die waren allemaal op komen draven.
Daar zaten de verzorgsters en haar huishoudelijke hulp was nu ook al weer bezig
met koffie schenken. Moet je nou kijken al die mensen die hier speciaal voor
haar waren gekomen. 100 jaar, dat is toch geen verdienste, je kunt ook gewoon te
lang blijven leven. “Dag mevrouw” een haar onbekende jonge man was naast haar
komen zitten. Hij had een grote microfoon in zijn hand. “mag ik u vragen hoe het
is om honderd jaar te worden? “ Wat een onzin dacht ze, vroeger zou ze misschien
vereerd zijn geweest met die aandacht maar daar was ze overheen. Als je maar oud
genoeg wordt dan hoef je niet meer zo nodig. “nee hoor jongeman zei ze
gedecideerd “daar heb ik helemaal geen belang bij.” (Tekst:
Thuiszorg Amsterdam 2005) |

|
|
|
|
 |
Haar
leven lang was Hannie de Boer trots geweest op haar haar. Toen ze nog jong was
brak ze harten van alle mannen met haar prachtige lange donkere haren. Tot op
haar billen had ze het. Vaak in een vlecht of een staart maar los was toch het
mooist. In de latere jaren besteedde ze vaak meer dan een uur aan de kaptafel om
haar haar op te steken. Afknippen? Nooit! Een vrouw haar schoonheid zit in haar
haar. Had haar moeder al gezegd en daar zet je de schaar niet in. De laatste
tijd was het haar wel zwaar gevallen haar inmiddels witte haar goed te
verzorgen. Het douchen ging haar al niet zo gemakkelijk meer af nadat ze bijna
was gevallen en dan dat haar wassen… Ze had geen stoel in de douche en ze was
erg bang om te vallen. Ook het kammen van het haar werd steeds moeilijker. Haar
armen waren stijver geworden en eerlijk gezegd werd ze er zo moe van dat ze het
al een tijdje erbij had laten zitten. Als ze in de spiegel keek zag het er nog
best netjes uit. Maar gisteren was er een juffrouw van de thuiszorg langs
geweest. Ze zou haar komen helpen met douchen. Ze was daar schoorvoetend mee
akkoord gegaan. Vallen in de douche was toch wel een erg groot risico. Wat hebt
u uw haar mooi in een knot gestoken had ze gezegd. Maar later tijdens de
douchebeurt was het uitgekomen.. haar haar was inmiddels één grote klit
geworden. Afknippen was het enige dat er nog op zat. Afknippen.. na 85 jaar zou
haar haar er alsnog af moeten?
(Tekst:
Thuiszorg Amsterdam 2005) |
|
|
|
|
Ze had heel
veel van haar man gehouden en toen hij na 43 jaar huwelijk overleed was ze
totaal ontredderd achtergebleven. Ze hadden nooit kinderen gehad en ook niet zo
veel vrienden. Eigenlijk hadden ze altijd genoeg gehad aan elkaars gezelschap.
Het leven was na de plotselinge dood van Karel zo leeg geworden. Hij had een
boek zitten lezen, daar bij de kachel. Toen ze het boek hoorde vallen dacht ze
dat hij in slaap was gevallen maar de vreemde houding maakte haar duidelijk dat
dit zijn gewone middagslaapje was. Toen de dokter en de ziekenwagen weg waren
was ze naar bed gegaan. Het liefst was ze in slaap gevallen om nooit meer wakker
te worden maar ze was gewoon doorgegaan met leven. Bij de begrafenis had ze nog
een oude vriend van Karel gesproken maar verder waren er alleen wat
oppervlakkige kennissen. Twee jaar was ze nu al alleen en ze had leren wennen
aan de stilte. Niet dat ze met Karel zo veel praatte, die zat het liefst te
lezen in een van de ruim 500 boeken die hij in de loop van zijn leven had
verzameld. Zij had geen interesse in die boeken. Ze had nooit veel gelezen en nu
begon ze langzamerhand een beetje een hekel te krijgen aan die boeken. Ze
herinnerde haar te veel aan Karel. Ze zag hem weer voor die kast staan,
bladerend in een van die bijzondere banden waarvan ze geen idee had wat er in
stond. . Ze dacht erover om ze maar eens weg te doen die boeken. Stoffig en
somber werd je huis er van en nu Karel er toch niet meer was. Dan had ze daar
liever een laag kastje met een vaas bloemen erop. Dat was ook minder werk voor
Annemarie van de thuiszorg die haar een keer per twee weken hielp met haar
huishouden. Ze had Annemarie al eens voor die boekenkast zien staan snuffelen.
Misschien wilde die wel een paar boeken hebben. Sprakeloos stond Annemarie de
volgende dag met een boek in haar handen. Ze kende dit boek nog uit haar jeugd
en was er al een tijdje naar op zoek In antiquariaten had ze alleen exemplaren
zien liggen die minstens 100 euro kosten en die waren niet zoo gaaf als dit
exemplaar. Neem het nou maar mee kind. Ik gooi ze anders weg. (Tekst:
Thuiszorg Amsterdam 2005) |

|
|
|
|
 |
‘Mam
ga nou even zitten.’ Mevrouw Jansen loopt onrustig door de kamer. Ze wil iets
gaan doen maar weet even niet meer wat. ‘Wil je koffie?’ vraagt ze. ‘We hebben
toch net al drie koppen koffie gedronken. Toe mam doe nu even rustig zo meteen
komt die mevrouw van de thuiszorg om te kijken of ze hulp kunnen geven.’ ‘Hulp?
Waarbij? Ik doe alles toch nog zelf. Ik wil niets te maken hebben met
thuiszorg.’ ‘We hebben het hier toch al uitgebreid over gehad mam. Toe nou, ik
kan echt jouw huishouden er niet ook nog bij doen.’ ‘Dat hoeft toch ook helemaal
niet? Ik doe het zelf wel hoor, ik heb mijn hele leven voor mijn eigen
huishouden gezorgd.’ ‘Maar je bent niet zo jong meer. Je moet toch echt een
beetje om jezelf denken. Je kunt die trap toch niet meer op om de ramen te
lappen.’ ‘Jawel hoor, ik hoef het toch niet zo snel te doen’? ‘En kijk eens naar
je slaapkamer dan. Dat is een echte grote puinhoop geworden alle kleren liggen
door elkaar. Dat kan toch zo niet.’ “Kleren? Daar weet ik niets van die moet
iemand anders daar hebben neergelegd. Maar ik ruim het zo wel op hoor. Wil je
nog koffie?’ ‘O, de bel daar zul je de mevrouw van de thuiszorg hebben.’
‘Thuiszorg? Wat komt die doen.’ (Tekst: Thuiszorg Amsterdam, 2005) |
|
|
|
|
|
|
 |